Eindelijk weer solist, eindelijk weer componist
“Oei, ik weet eigenlijk heel weinig over haar,” bekent Sergei Redkin wanneer we hem vragen wat hij over onze voormalige vorstin Elisabeth weet. “Alleen dat ze bevriend was met Eugène Ysaÿe, en dat haar geest zou ronddwalen in Waterloo. Ik zal me nog wat inlezen, wie weet kan het me inspireren voor de concerten in Antwerpen.”
Het is hem – uiteraard – vergeven. Want als voormalig artiest in residentie aan de Muziekkapel Koningin Elisabeth, en als tweede laureaat van de koningin Elisabethwedstrijd in 2021, blijft hij natuurlijk de ideale eregast voor de jaarlijkse Elisabethweek. Twee keer kan je hem in januari aan het werk horen: als solist in Sergej Prokofjevs Derde pianoconcerto en in een programma met kamermuziek van Glinka en ... Redkin zelf. “Niet per se omdat ik daar een uitgesproken ambitie in heb of er mijn carrière van wil maken. Ik voelde vooral dat ik eindelijk opnieuw zin had om zelf te schrijven.”
Zonder ambitie begin je er toch niet aan?
“Uiteraard zit er een drijvende kracht in mij. Ik wil beter worden, ik wil vooruitgang boeken. Ik ben ook kritischer geworden voor mezelf dan vroeger. Maar dat is puur omdat ik componeren leuk vind. Ik wil schrijven wat ik voel omdat ik dat graag doe. En omdat ik ook wel geloof dat ik iets anders kan brengen dan de rest. Componeren geeft me de vrijheid om elke keer een andere taal te hanteren. Terwijl, als ik dit beroepsmatig zou doen, zou ik te snel gevangen raken in het clichébeeld van de hedendaagse componist.”
Zit je als uitvoerder sneller vast in een hokje?
“Als je tot de allergrootste artiesten op aarde gerekend wordt, komt er ongetwijfeld een punt waarop je alles bewezen hebt wat er te bewijzen valt. Maar in mijn ervaring proberen mensen je toch snel op een bepaalde manier te categoriseren. Op de Tsjajkovski-wedstrijd in 2015 speelde ik twee monumentale werken van Prokofjev: zijn Achtste pianosonate in de halve finale en het Tweede pianoconcerto in de finale. Sindsdien kleeft dat etiket van Prokofjev-
specialist aan mij.”
Is dat een probleem?
“Heel erg heb ik dat nooit gevonden, hij is nu eenmaal mijn favoriete componist. Maar het voelde op den duur wel als een verplichting om telkens weer een van zijn stukken in mijn programma’s te stoppen. Het werd frustrerend. Ik kon geen andere componisten meer uitvoeren zonder dat ze vergeleken werden met mijn Prokofjev-spel. Daarom heb ik er op de Elisabethwedstrijd ook een punt van gemaakt om geen noot van zijn muziek te spelen. Alsof ik iets te bewijzen had. In de eerste plaats aan mezelf. Sindsdien ben ik uit die kooi kunnen breken en speel ik hem ook weer met alle plezier. Je kan maar tot op een bepaalde hoogte vechten tegen een stereotype. Als je als uitvoerder relevant wil blijven, moet je je er ook een beetje naar schikken.”
Voor veel jonge pianisten is die Koningin Elisabethwedstrijd een springplank voor hun verdere carrière. Maar jij bent in de jaren nadien even verdwenen ...
“Mijn vader is in het jaar na de wedstrijd plots overleden. In plaats van me te storten in de laureatenconcerten, moest ik ineens zijn begrafenis organiseren. Nadien waren mijn visa verlopen en moest ik zowat alle afspraken laten schieten. Pas toen de oorlog in Oekraïne uitbrak, ben ik weer naar België gekomen, maar toen voelde de Elisabethwedstrijd als een gesloten hoofdstuk aan.”
Het betekent dus wel wat om in Antwerpen weer als solist op het podium te kunnen staan?
“Zeker! Ik geniet volop van deze volgende pagina in mijn leven. Ik voel me veel minder gestrest, geef les aan fantastische studenten op het Conservatorium van Brussel en speel veel kamermuziek met mijn vrienden uit de Muziekkapel. Ik ben op dit moment dus oprecht heel tevreden.”
“Maar ik ben er eerlijk gezegd nog niet helemaal mee in het reine. Als solist in een orkestwerk kan je namelijk echt een verschil maken in de muziek. Dat heb je minder in kamermuziek. Ik voel dat ik het toch mis om mezelf uit te dagen. Om die grotere verantwoordelijkheid aan te gaan en nieuwe dingen te leren.”
Kamermuziek is voor jou minder uitdagend?
“Kamermuziek draait voor mij meer om plezier en voelt minder als werk aan. Ik heb het idee dat de verschillen in uitvoeringen er veel minder groot zijn, en dat er daardoor minder prestatiedruk op ligt. Het is vooral een kwestie om je te omringen met mensen die je graag hebt. Om te genieten van de muziek en goed te communiceren met elkaar en het publiek. Kamermuziek is in de eerste plaats aangenaam.”
Nochtans lijkt het Grand Sextet van Mikhail Glinka me niet meteen een licht verteerbaar hapje.
“Het is inderdaad een stevig werk. Dankzij de dubbele strijkersbezetting heeft het iets heel indrukwekkend, een massieve klank. Maar tegelijkertijd is het heel virtuoos, heel briljant, heel vreugdevol. Als pianist vliegen je vingers over het hele klavier. Ik noem het wel eens lachend het derde pianoconcerto van Chopin.”
Dus toch, ook daar, die solistenrol opzoeken?
“Ja, ik merk dat ik daar toch altijd naar op zoek blijf gaan. Ik wil mezelf blijven pushen om impact te hebben op de muziek die ik speel. Daarom ben ik ook zo dankbaar dat ik in Antwerpen de kans krijg om me twee keer op die manier te tonen. Wie weet welk nieuw hoofdstuk er daardoor weer kan beginnen.”
tekst: Jasper Croonen