Brahms' Eerste symfonie

De Eerste symfonie van Johannes Brahms: een langgerijpt ankerpunt

 

In weerwil van haar huidige alomtegenwoordigheid op het concertpodium was het ontstaan van Brahms’ orkestmuziek niet vanzelfsprekend. Brahms’ orkestwerken ontstonden namelijk relatief laat in zijn carrière en dan nog in een korte tijdspanne. Dat hij pas begin jaren 1870 de stap naar orkestmuziek zette, hoeft niet zozeer geïnterpreteerd worden als de uitkomst van een artistiek moeizame queeste. Al te vaak is immers het volgende verhaaltje opgehangen: Brahms zou het aan de moed ontbroken hebben om vanonder Beethovens schaduw te kruipen. Hij zou moeite gehad hebben om traditionele, grootschalige vormen uit te denken. Ook zou hij zich suf geploeterd hebben om de orkesttaal onder de knie te krijgen. Niet helemaal gelogen, maar Brahms’ laattijdige stap naar orkestmuziek valt ook vanuit andere achtergronden te verklaren.

Toen Brahms in 1876 zijn Eerste symfonie aan het Weense publiek voorstelde, was dat een megalomane poging om de symfonische traditie te reanimeren. Na de dood van Mendelssohn en Schumann omstreeks 1850 was de symfonie namelijk verschrompeld tot een suf genre. Niemand achtte een hergeboorte van de aloude symfonische traditie mogelijk. “Terugkijkend op de verwezenlijkingen van het verleden”, zo schreef muziekhistoricus Emil Naumann indertijd, “kunnen we de tonale kunst als een organisch geheel bekijken. Het is compleet en voltooid. Wat zal komen, valt niet te voorspellen.” De symfonie en het concerto leken voorgoed tot het verleden te horen: beter nog dan ze proberen te evenaren, deed je er beter aan ze te bestuderen. En dat kon uitvoerig, want parallel met de kwalitatieve terugval van de ‘nieuwe’ symfonieën sinds 1850, was het aantal uitvoeringen van hoogstaande, ‘oudere’ symfonieën van ‘grote meesters’ de hoogte ingeschoten.

Toen Brahms in 1876 zijn Eerste symfonie aan het publiek voorstelde, leverde hij het klinkende bewijs dat de symfonische traditie niet reddeloos verloren was. Alleen al de toonaard van zijn symfonische eersteling spreekt tot de verbeelding. C klein was niet zomaar een toonaard, het was de toonaard van hét symfonische oermodel: Beethovens Vijfde symfonie. Niet enkel diens beruchte notenmotiefje duikt op in Brahms’ eersteling, de grote boog die Beethoven over de verschillende delen legde, wordt door Brahms geïmiteerd én opgevijzeld met een extra historische lading: het hoofdthema van zijn finale is immers een reminiscentie aan de Ode aan de vreugde.

Natuurlijk wist Brahms dat ‘namedropping’ alleen niet volstond. Zijn orkestmuziek wilde niet onderdoen voor de narcotische, expressieve en harmonisch ingenieuze muziek van Liszt. Maar, waar deze muziek zich wentelde in extraverte grootspraak, stelde Brahms de focus scherp op introverte logica en vormelijke beheersing. Zijn symfonische taal was zich dus niet louter bewust van het verleden, maar keek ook vooruit. De knarsende openingsmaten (verwant aan de chromatiek uit Wagners Tristan und Isolde), de spanningsvolle harmonieën, de geraffineerde spitsvondigheden (zoals de heimelijke rentree van de hoofdmelodie in het Andante), het elastische tempo (buiten de openingsmaten van de finale is geen enkele passage écht traag), de subtiel geplaatste stiltes en meeslepende melodieën: deze symfonie was meer dan studiewerk, maar – zoals een toenmalige recensent het uitdrukte – “de modernste onder de moderne muziek”.


Tekst: Tom Janssens

 

Calendrier

Mettez-moi sur la liste d'attente

Liste de favoris