Richard Wagner: revolutionaire orkestmeester zonder symfonie

Zonder twijfel was Richard Wagner een van de meest innovatieve orkestcomponisten van de negentiende eeuw. Hij wist duidelijk zijn stempel te drukken op de symfonische taal van een hele generatie componisten na hem.

Anton Bruckners orkestbehandeling is zeer Wagneriaans en zijn harmonische taal is zwaar doorspekt met Wagneriaanse chromatiek. Richard Strauss tilde de Wagneriaanse leidmotieftechniek tot een hoger niveau en verscherpte Wagners permanent chromatiserende harmonie tot aan de grenzen van de tonaliteit. Ook de Engelsman Edward Elgar, de Fin Jean Sibelius, de Rus Pjotr Tsjajkovski en de Belg César Franck lieten zich in hun orkestmuziek vaak genoeg leiden door Wagners symfonische voorbeelden.

Wagners erfenis

Toegegeven, als componist staat Richard Wagner nu niet meteen bekend als een groot symfonicus. In tegenstelling tot Mendelssohn, Schumann en Brahms liet hij de symfonie als genre aan zich voorbijgaan. Het enige wat we van hem op dat vlak kregen is een weinig uitgevoerde Symfonie in C. Het gaat om een vroeg werk, geschreven toen de componist amper negentien was. Een groot verhaal vertelt ze niet, maar het toont wel een fijne neerslag van Wagners artistieke helden. Zo is de trage beweging duidelijk geïnspireerd op die uit Beethovens Zevende en is de finale gemodelleerd op die van Mozarts Jupitersymfonie.

Kortom, de symfonie als genre schijnt Wagner nauwelijks te hebben geboeid, maar hij had wel verstand van orkesten dirigeren. In 1837 ging Wagner bijna twee jaar werken als dirigent in de opera van Riga. Na enige tijd in Parijs te hebben doorgebracht, kwam hij vervolgens terecht in Dresden waar hij in 1843 chef-dirigent werd. Toen de Schumanns enkele jaren later naar diezelfde stad verhuisden, lijkt Wagner wel interesse te hebben gehad in hun muziek, maar de orkestwerken en de symfonieën van Schumann bleven door hem onaangeroerd. Nochtans was Wagner als dirigent wel een fenomeen. Zo keerde hij zich af van mechanische “tijd-slaanderij” en had hij als dirigent meer aandacht voor frasering, lyriek en dynamiek. Bovenal benadrukte hij het belang van de melodie, over de maatstrepen heen. Muziek moest kunnen ‘doorzingen’. Geen wonder dat de man zich vooral met opera zou bezighouden. Hij was ook een van de eerste dirigenten die volledige werken uit het hoofd dirigeerde, zonder partituur voor zijn neus. In 1869 schreef hij zelfs een traktaat ‘Over het dirigeren’, een invloedrijk werk dat Duitse dirigenten tot in de twintigste eeuw inspireerde.

De revolutionair

Nee, Wagner hield niet van de symfonie, maar hij hield wel van het symfonische orkest. En van ‘opera’ natuurlijk. Of eerder van ‘muziekdrama’ om Wagners eigen woordenschat te gebruiken. Wagner was namelijk een revolutionair en zo rond 1848 had hij besloten dat opera als genre geen toekomst meer had, net als de symfonie overigens. In de plaats moest een allesomvattend totaalspektakel worden gecreëerd dat niet alleen de kunst of de muziek, maar zelfs de hele wereld zou veranderen. Tijdens de lente van 1849 bereikte de revolutie ook Dresden. Wagner, nog steeds de kapelmeester van de koning van Saksen, ontpopte zich als revolutionair, tot verbijstering van de Schumanns overigens. Nu moet Wagners revolutionaire engagement bij de Dresdense opstand van 1849 ook weer niet overschat worden. Het is niet zo dat hij schouder aan schouder op de barricaden stond met de grote revolutionairen van die dagen, zoals de fameuze Michail Bakoenin. Richard Wagner maakte zich nuttig door enkele pamfletten te schrijven en verdelen. Hij nam ook hier en daar een wachtbeurt op de toren van de Kreutzkirche, maar naar het schijnt discuteerde hij daar meer met zijn kompanen over Feuerbach en Hegel dan dat hij Pruisische troepenbewegingen in de gaten hield.

Hoe dan ook, de revolutie van 1849 werd in Dresden tamelijk brutaal neergeslagen. Wagner wist op het nippertje zijn arrestatie te voorkomen door haastig in een rijtuig te springen om hals over kop de stad te verlaten. Heel wat van zijn vrienden hadden minder geluk; zijn vriend August Röckel zou pas in 1865 opnieuw vrijkomen. Terugkeren kon Wagner niet meer. Voortaan was hij een gezocht man, waardoor hij nergens in Duitsland nog aan de bak kon. Hij trok zich terug in Tribschen, nabij Luzern in Zwitserland. De revolutie was mislukt, Wagner was werkloos en vogelvrij en een groot orkest had hij ook niet meteen in zijn buurt. Men zou voor minder aan zichzelf gaan twijfelen. Maar zo zat Wagner niet ineen. Hij zag namelijk in dat hij eindelijk het geschenk van de tijd had gekregen. Nu kon hij eindelijk al die boeken lezen waarover zijn revolutionaire vrienden zo geestdriftig hadden gesproken en eindelijk vond hij de tijd om hard na te denken over de toekomst; niet alleen de zijne, maar ook over die van de muziek en van de wereld.

Gesamtkunstwerk

Wagner begon te schrijven. Uiteraard schreef hij wat muziek, maar aan zijn schrijftafel moesten hem toch eerst enkele sociaal-politieke traktaten ontvallen. Al in april 1849 schreef hij het meest radicale daarvan, eenvoudigweg getiteld De Revolutie. Dit werd gevolgd door zijn drie voornaamste theoretische werken, namelijk De kunst en de revolutie (1849), Het kunstwerk van de toekomst (1849) en het veel langere hoofdwerk Opera en Drama (1850-1851). Samen vormen ze een niet altijd zeer coherente visie op politiek en maatschappij. Het centrale vraagstuk waar Richard Wagner schijnbaar mee worstelde was dat over zijn eigen kunstenaarschap. Wat moet een kunstenaar doen in een tijdperk na de gefaalde revolutie? Wat kon hij doen? Het antwoord daagde hem snel: de weg wijzen doorheen zijn kunst. Wat mislukte op de straten en de pleinen van Dresden, Wenen en Parijs, zou dan maar moeten gebeuren in de theaters en de concertzalen van diezelfde steden. Kunst zou de wereld veranderen!

Meteen ging Wagner werken aan zijn magnum opus, de monumentale tetralogie Der Ring des Nibelungen, samen goed voor vier avonden en een kleine zestien uur muziek. Hij zou er ongeveer een kwart eeuw aan werken. Dit zijn geen opera’s in de conventionele zin van het woord. Het geheel wordt niet netjes opgedeeld in aria’s, recitatieven, duetten, ensembles en koren. Wagner voorzag één enkele tekst die van begin tot einde op muziek werd gezet, zodat de aandacht zich op de handeling toespitste en niet op de muziek. Het ging dan ook om een muziekdrama en niet om een ‘opera’. Wagner was nu eenmaal geen Rossini. Wagner wilde de wereld veranderen, Rossini wilde amuseren. Wagners personages filosoferen dan ook heel wat op scène, waarbij ze zich van alles realiseren in wat in wezen een eindeloos Wagneriaans recitatief is. De hamvraag werd dan ook – en zeker in vergelijking met Rossini: is dat Wagneriaans muziekdrama dan niet ontzettend saai?

Het orkest als verteller

Dat is waar het orkest handig van pas komt. In zijn opera’s gebruikt de componist een heel arsenaal van leidmotieven die worden geassocieerd met personen, voorwerpen of concepten waaraan een zeker symbolisch belang kan worden gehecht. Dat kan zeer banaal zijn. Wanneer Hunding opkomt bijvoorbeeld, horen we het Hundingmotief, alsof hij op dat moment zijn visitekaartje afgeeft. Maar het kan ook complexer. Wanneer Siegmund beweert niet te weten wie zijn vader is, horen we in het orkest plots het Walhallamotief, dan realiseert de wakkere luisteraar zich dat Siegmund de zoon is van Wotan, over wie in de vorige opera sprake was. Zo creëert Wagner dankzij zijn orkesttextuur een heel netwerk aan betekenissen dat zijn werk uiterst boeiend en gecompliceerd maakt. En uiteraard wordt de luisteraar royaal beloond met ronduit spectaculaire orkestfragmenten: de intrede van de goden in het Walhalla, de Walkürenrit, Siegfrieds begrafenismars of uit Parsifal de muziek van de graalceremonie of de Goede-Vrijdagsmuziek. Hoewel Richard Wagner op dat vroeg jeugdwerk na geen grote symfonieën schreef, kan men met recht en rede toch beweren dat hij een van de grootste orkestmeesters van de romantische muziek is.

 

tekst: David Vergauwen

Agenda

Zet mij op de wachtlijst

Wenslijstje

Toegevoegd:

Ga naar wenslijstje