One of the boys? Toch maar niet
“By far the finest symphony by an American composer before [Charles] Ives,” schreef muziekcriticus Jonathan Blumhofer over Amy Beach’ Gaelic Symphony (1894): het eerste grootschalige orkestwerk gecomponeerd en gepubliceerd door een Amerikaanse vrouw. 27 was Beach toen. Haar droom om concertpianist te worden, was gestrand aan het altaar: haar echtgenoot — een vooraanstaand arts — achtte optreden voor publiek ongepast. Het compromis: componeren. Wat begon als een beteugeling van haar artistieke vrijheid, werd een traject naar geëmancipeerd kunstenaarschap met de Gaelic Symphony als mijlpaal.
Op eigen houtje
Met Symfonie opus 32 maakte Beach de belofte waar die ze altijd al in zich droeg. Ze was een wonderkind dat zichzelf leerde lezen op haar tweede en componeerde op haar vierde. Als muzikant was ze grotendeels autodidact; zo leerde ze orkestratie door het handboek van Hector Berlioz uit het Frans te vertalen. Ook Richard Wagner en Johannes Brahms waren lichtende voorbeelden. Maar hun stijl kopiëren wilde Beach niet. Zij zocht niet alleen een eigen stem maar ook een door- en-door Amerikaanse sound. Waar hebben we dat nog gehoord ... ?
Storm, heimwee en identiteit
Net als Antonín Dvořák stelde Beach zich de vraag: hoe kan of moet Amerikaanse klassiek klinken? Dvořák zocht het antwoord in Afrikaans-Amerikaans muzikaal erfgoed, Beach in Engelse, Ierse en Schotse volksmuziek — de klanksporen van de Europese immigranten. In die overtuiging wortelt de Gaelic Symphony: een laatromantisch luisterverhaal over vertrek zonder terugkeer, reizen in het onbekende, en verlangen naar wat is geweest of zou kunnen zijn.
De symfonie duurt ongeveer 40 minuten en volgt een klassiek, vierdelig schema. De eerste beweging groeit uit een donker, chromatisch geruis in de strijkers en gebruikt materiaal uit Dark is the Night, een lied van Amy Beach zelf. Haar publiek moet de melodie zeker hebben herkend en ook de referentie hebben begrepen aan de oorspronkelijke tekst: een gedicht van William Ernest Henley over een gevaarlijke overtocht in stormachtige wateren. Dat idee wordt muzikaal ondersteund door het vleugje Sturm und Drang waarmee Beach de notenbalken injecteert.
Van trauma naar utopia
Naast Dark is the Night introduceert de openingsbeweging ook de eerste van vier Ierse volksmelodieën die de symfonie haar bijzondere karakter geven; de tunes zijn soms makkelijk te spotten, soms volledig opgelost in het symfonische weefsel. Beach zou de liederen hebben ontleend aan een editie van het tijdschrift The Citizens, gepubliceerd in Dublin net vóór de ‘Great Famine’ — de Ierse hongersnood van de jaren 1845-50. Als markers van de tijd voorafgaand aan dat nationale trauma, golden ze voor de Ierse gemeenschap als symbool voor al wat goed was maar definitief verloren ging.
Het eenvoudige landleven was een belangrijk aspect van dat collectieve verlangen naar een geïdealiseerd verleden. Geen toeval dus, dat in de eerste beweging flarden pastorale idylle klinken. In het tweede deel trekt de wiegende sicilienne dat sentiment door, nu verbonden met romantische allusies op afscheid en heimwee. Het langzame, derde deel is een lijvige klaagzang, waarin dalende melodische lijnen emoties van verlies en verlangen oproepen. De finale grijpt terug naar eerdere thema’s en transformeert ze tot een energiek slot: strijd levert veerkracht, heimwee wordt hoop.
Succes en een dubbele erfenis
Bij de première in Boston (1896) bleek de symfonie een schot in de roos. Beach werd opgenomen in de kring van vooraanstaande Amerikaanse componisten en gebombardeerd tot “one of the boys”, aldus het goedbedoelde maar in retrospect ongelukkige compliment van collega-componist George Whitefield Chadwick. Dat Amy Beach bij leven aanzienlijke erkenning genoot, maakt het des te meer bizar dat haar muziek na haar dood (1944) uit het repertoire verdween. Zoals dat wel vaker gebeurt, raakte ze uit de mode door veranderende smaken en prioriteiten van de muziekindustrie. Pas eind vorige eeuw groeide de belangstelling opnieuw, gevoed door musicologisch onderzoek en aandacht voor genderperspectieven in de (kunst)geschiedvertelling.
Klasse naast de canon
Die herontdekking werpt vruchten af. Publiek en critici vallen opnieuw voor de Gaelic Symphony, haar weelderige melodiek, kleurrijke orkestratie en puike vormgevoel. Muziekmagazine Gramophone noemde het in 2003 nog “muziek met een groot hart, onweerstaanbare charme en zelfverzekerde ontwikkeling”. Anderen bestempelen de symfonie als een van de meest overtuigende Amerikaanse orkestwerken van vóór de Eerste Wereldoorlog: een unieke bijdrage aan een genre waarin Europa eeuwenlang domineerde.
De comeback van de Gaelic Symphony wakkert vragen aan rond de klassieke canon. Wat als het gangbare concertrepertoire niet ‘het beste’ is wat ooit werd gecomponeerd, maar dat wat door historische vooroordelen en machtsstructuren het topje van de ijsberg werd? Beach zou het fantastisch hebben gevonden: dat haar muziek helpt te begrijpen dat je niet kan weten wat kern is en wat periferie, als je nooit verder kijkt dan de grote jongens.
tekst: Sofie Taes
Agenda
-
DatesSat 16.05.26andSun 17.05.26
-
Sat 16.05.2615:00Queen Elisabeth Hall, Antwerpen
Toprang Standaard € 62,00 65+ € 55,80 -30 jaar € 62,00 Rang 1 Standaard € 50,00 65+ € 45,00 -30 jaar € 50,00 Rang 2 Standaard € 41,00 65+ € 36,90 -30 jaar € 17,00 Rang 3 Standaard € 30,00 65+ € 27,00 -30 jaar € 17,00 Rang 4 Standaard € 20,00 65+ € 18,00 -30 jaar € 17,00 -
Sun 17.05.2614:15TivoliVredenburg