Een loffelijke lus

Dat het Antwerp Symphony Orchestra in maart 2026 de Mattheuspassie van Johann Sebastian Bach uitvoert, daar fronst geen mens de wenkbrauwen bij. Geen concertseizoen zonder oude muziek, toch? Toch was dat nog geen tweehonderd jaar geleden allesbehalve vanzelfsprekend.

Berlijn, 1829. De amper twintigjarige Felix Mendelssohn Bartholdy dirigeert een vergeten meesterwerk en veroorzaakt zo een culturele aardverschuiving. De Mattheuspassie van Bach, die bijna een eeuw lang stof had liggen happen, galmt plots weer door de Sing-Akademie. De barok-revival is geboren.

Mendelssohn had zijn Bach-obsessie geërfd van zijn leraar Friedrich Zelter, die al in 1815 een Mattheuspassie had gerealiseerd in Leipzig. Maar waar Zelter nog voorzichtig experimenteerde, ging Mendelssohn all-in. Een sensatie, jubelden velen. Volksverlakkerij, vonden anderen. Want Mendelssohns partituur zat vol aanpassingen, inclusief gewijzigde instrumentatie, geschrapte fragmenten en on-barokke klankkleuren.

Verraad aan het origineel? Mendelssohn vond van niet. Voor hem was oude muziek geen museumstuk, maar levende kunst die elke generatie opnieuw mocht uitvinden. De romantische saus waarin hij Bach serveerde, maakte het menu verteerbaar voor zijn tijdgenoten. Zónder dat laagje eigentijdsheid hadden ze misschien wel nooit willen proeven.

De paradox van het historisme

De fascinatie van Mendelssohn voor de Thomaskantor was niet alleen historisch gemotiveerd: Bachs polyfone schrijfwijze en architectonische helderheid vormden een fundamenteel onderdeel van zijn eigen muzikale DNA. In zijn Ouverture Ein Sommernachtstraum (1826) - geschreven op amper zeventienjarige leeftijd - klinkt die erfenis door in de verfijnde orkestbehandeling en heldere vormgeving. Ook Pianoconcerto n°1 (1831) combineert romantische uitbundigheid met een contrapuntische transparantie die rechtstreeks aan Bach refereert. Mendelssohns ‘romantische’ lezing van historische stijlen bracht verder in de negentiende eeuw een praktijk van ingrijpende bewerking teweeg, waarbij het contact met het origineel niet als prioritair werd beschouwd. Met de klemtoon op het universele genie van canonieke componisten werden muzikale parameters aangepast aan de smaak van het moment. De trend zou resoneren tot ver in de twintigste eeuw: interpreteer, modelleer, actualiseer.

Van zodra het muziekleven ook miljoenenbusiness werd - inclusief platenlabels, moderne media en supersterren - ging er over oude muziek verpakt in romantisch klankgewaad nog een suikerlaagje heen om het mainstream-publiek te plezieren. Tegen deze leugenachtige uitvoeringspraktijk (“falsch!”, aldus Nikolaus Harnoncourt) rees na de Tweede Wereldoorlog verzet. “Ad fontes” werd het nieuwe credo.

Terug naar de bron, naar instrumenten passend bij de muziek, naar de oorspronkelijke bedoelingen van de componist. Pioniers als Arnold Dolmetsch, Gustav Leonhardt en de broers Kuijken pleitten voor een directe lijn met het verleden: geen rookgordijnen meer tussen bedenker en vertolker.

Wat begon als een occasioneel experiment groeide uit tot een beweging die zich uitdrukkelijk positioneerde als tegencultuur, gericht tegen het elitarisme en conservatisme van het traditionele concertleven. De oude muziek en de avant-garde overlapten elkaar daarom aanvankelijk, gevoed door dezelfde rebelse energie.

Plottwist

We zijn een slordige 70 jaar verder. De oudemuziekbeweging richt zich inmiddels niet meer alleen op middeleeuwen, renaissance en barok, maar ook op klassieke, romantische en vroegmoderne repertoires. Mendelssohns muziek - nooit écht vergeten, maar vaak uitgevoerd in een zwaar, laat-romantisch klankidioom - wordt nu herontdekt door ensembles met historische instrumenten en een frisse blik op de bronnen.

Mendelssohn haalde Bach uit de vergetelheid door hem te actualiseren. Vandaag halen we Mendelssohn uit een bepaalde interpretatietraditie door hem te historiseren. De ironie wil dat we daarbij precies doen wat Mendelssohn óók deed: op zoek gaan naar de intenties van de componist, naar transparantie en helderheid - alleen doen we dat nu met instrumenten en kennis die buiten zijn bereik lagen.

Eclips en wedergeboorte

Wat betekent dat nu voor ons begrip van ‘oud’ en ‘nieuw’? Mendelssohn laat zien dat verleden en heden geen gescheiden werelden zijn, maar voortdurend met elkaar in dialoog kunnen treden. Elke generatie herontdekt wat verloren leek en maakt het opnieuw relevant - of dat nu Bach in 1829 is of Mendelssohn in 2025. De oudemuziekbeweging is intussen zelf gecanoniseerd. Mode of modus vivendi? Misschien allebei. Want wat begon als een rechtlijnige zoektocht naar historische waarheid, blijkt een oneindige loffelijke lus: hoe dichter we bij de geschiedenis komen, hoe groter de afstand lijkt tot reconstructie en herbeleving. En zo landen we toch weer bij Mendelssohn: de eigentijdse omgang met het verleden is misschien wel de meest authentieke.

tekst: Sofie Taes | foto: Björn Comhaire

Agenda

Zet mij op de wachtlijst

Wenslijstje

Toegevoegd:

Ga naar wenslijstje